Zonder ideeënstrijd wordt sport een speelbal
Vandaag kiezen we een nieuwe regering, maar over sport viel weinig te kiezen.
Vandaag kiezen we een nieuwe regering, maar over sport viel weinig te kiezen. De sector kreeg vriendelijke woorden, de politiek vermeed scherpe keuzes. Dat voelt veilig en toch is het gevaarlijk: waar geen ideeënstrijd is, krijgt de status quo vrij spel en bepaalt de formatietafel het lot. De les is duidelijk: koester de brede consensus over het belang van sport, maar organiseer juist daarom een volwassen ideeënstrijd.
De landelijke verkiezingen van 2025 bracht opvallend weinig debat over sport en bewegen. De Sportraad verzucht dat het thema in de campagne nauwelijks gewicht kreeg; het blijft hangen in algemene waarderingen over de kracht van sport. Dat klinkt vriendelijk — wie is er tégen sport? — maar het is ook riskant. Zolang er geen ideeënstrijd is, ontbreekt koers, en dan wordt beleid bepaald door de status quo, met het gevaar dat je plotseling onderdeel bent van een formatiedeal.
Het beste recente voorbeeld van hoe je speelbal wordt zonder koers is de btw-discussie van vorig jaar. De mogelijkheid om het verlaagde tarief op sport aan te passen werd in de formatieronde onverwacht op tafel gelegd en later van de baan gehaald, mede door breed maatschappelijk verzet. Voor de sector was dat opluchting, maar inhoudelijk blijven we met dezelfde vraag achter: welk fiscaal regime borgt betaalbaarheid en toegankelijkheid en wat betekent het vervolgens voor contributies en deelname? Zó’n vraag hoort vooraf al verkend te worden met studie en onderzoek als zorgvuldige ankers voor argumenten, niet achteraf gecorrigeerd te worden via het bespelen van publieke sentimenten.
Met de wijsheid van Italiaanse filosoof en politiek denker Gramsci (1891-1937) zou je sport vooral kunnen zien common sense: iedereen weet dat het goed is. Maar wat ontbreekt is good sense: expliciete keuzes die de status quo uitdaagt.
Keuzes zonder kamp
Het ontbreekt allereerst aan grote ideeën waaruit te kiezen valt. Ooit hadden we een Olympisch plan dat zich richtte op het organiseren van de Olympische Spelen in Nederland. Dat zou een investeringsmotor zijn voor infrastructuur, onderwijs en vrijwilligerswerk en zou een horizon bieden die sport overstijgt. De keerzijde is reëel: bestuurlijke fixatie op één mega-evenement, het risico dat lokale sport verdrongen raakt, en de vraag of schaarse publieke middelen elders meer effect sorteren. Het is niet pro of anti sport; het is een nuchtere weging die we al eens maakten toen Rutte-II de steun introk en het plan in de ijskast belandde.
Of neem de ambitie van Thijs Zonneveld om in Nederland een berg te bouwen. Als symboolpolitiek is het briljant: een horizon die verbeelding, sportinfrastructuur en innovatie bundelt. Als beleidsoptie dwingt het een serieuze afweging af: technische (on)mogelijkheden, prijskaartje en ruimtelijke impact. Eerdere doorrekeningen schatten een berg van twee kilometer als theoretisch denkbaar maar astronomisch duur; later concludeerden betrokkenen dat het met huidige materialen feitelijk niet maakbaar en niet te betalen is. Precies dit is het punt: niet “voor” of “tegen” de berg, maar wat we willen bereiken, tegen welke kosten, en welke publieke waarde dat oplevert.
Waar zijn de nieuwe ambities die concreet worden in ons sportlandschap? We willen wel 75% van Nederland aan het sporten brengen, maar ik lees weinig over hoe we dat voor elkaar zouden krijgen. Is het taboe om het te hebben over het ontkoppelen van topsport en breedtesport? Door het er wél over te hebben win je helderheid: doelen, budgetten en verantwoording worden zuiverder. Je verliest mogelijk de inspiratielijn van medailles naar jeugdparticipatie, en het publieke draagvlak voor topsport kan dunner worden als die zich niet langer laat legitimeren via breedtesport en gezondheid. Dat zijn volwassen trade-offs, geen loyaliteitstests.
Van common sense hebben we genoeg. Tijd voor good sense: ambitieuze keuzes die de consensus richting geven.
Hetzelfde zou kunnen gelden voor normering of zelfs een verbod bij sporten met structureel ongewenst gedrag of gezondheidsrisico’s. Je zet een krachtige stap voor veiligheid en integriteit. Een sector die zichzelf normeert wint geloofwaardigheid. Tegelijk bots je op keuzevrijheid en verenigingsautonomie, en dreigt gedrag te verschuiven naar minder gereguleerde circuits. Ook hier dwingt een ideeënstrijd tot precisie: welke risico’s willen we maatschappelijk dragen, en welke bewijzen accepteren we?
Een verplichte naschoolse sportopvang zou sportvaardigheid en gelijke kansen kunnen versterken. Maar onderwijs en gemeenten kampen met personeel en ruimte, en je verdringt mogelijk vrij spel en cultuur. Zonder degelijke brede effectmeting wordt zo’n voorziening al snel geloofswerk. Een streng CO₂- en ruimtebudget voor evenementen kan helpen de sector ruimtelijk en ecologisch toekomstvast te maken, terwijl het ook betekent dat sommige toernooien verdwijnen of verkleinen, met impact op lokale economie en verenigingen.
Buiten de politiek
De vanzelfsprekendheid rond sport is geen vijand. Ze voorkomt dat sport een cultuurstrijd wordt en ze houdt het gesprek breed. Maar wie vooruit wil, moet ook ideeënstrijd organiseren, met diepgang.
Dat brengt me bij het laatste punt: toets de ideeën systematisch bij de bevolking om te bepalen welke waarden en normen zwaarder mogen wegen. Gebruik onderzoek waarin mensen — met echte budget-, ruimte- en tijdsbeperkingen — expliciet uitruilen maken: extra naschoolse sporttijd versus onderwijslast, medaille-ambitie versus betaalbare contributies, openblijven van zwembaden versus andere publieke prioriteiten. Combineer dat met een MKBA, zodat effecten op brede welvaart, toegankelijkheid en winnaars/verliezers zichtbaar worden in euro’s én niet-monetaire uitkomsten. Zo voorkom je dat sentiment de doorslag geeft en maak je expliciet welke prijs de samenleving wíl betalen voor welke opbrengst.
Dan rest één eerlijke vraag aan wie morgen de formatie begint en wie in de sector aan tafel schuift: als sport méér is dan consensus, welke ideeën lossen onze maatschappelijke problemen op — en tegen welke prijs? Antwoord die vraag met bewijs in plaats van slogans, en er valt eindelijk wél iets te kiezen, zonder dat sport een splijtzwam wordt. Dat is de volwassen ideeënstrijd die een vitale sportsector verdient.
Verder lezen
Waarom sportcontributies de wet van Baumol ontlopen, en wat dat kost
Sportcontributies stijgen, maar lopen zelden gelijk op met de inflatie. Volgens de economische theorie zou het juist andersom moeten zijn. Dat sportverenigingen die wet weten te ontlopen, heeft een prijs die niet op de contributienota staat.
7 min lezen · 3 interactieve figurenWinnen, maar dan wel goed
Bijna drieduizend Nederlanders verdeelden in een bevolkingsraadpleging zelf het topsportbudget. Ze steunen de medaillejacht, maar willen meer aandacht voor een veilig sportklimaat.
2 min lezen · essayWat koop je voor 37,5 miljoen aan olympisch ijs?
Nederland heeft het olympisch schaatsen van 2030 scherp ingekocht. Maar de beloofde verbinding ontstaat niet vanzelf in een stadion met tienduizend stoelen.
3 min lezen · essay